Op zoek naar de roots van Vespa Club Oostende: de ontmoeting met Raymond Duynslaegher

Nadat we er jaren op zoek naar waren, werden we onverwacht in nauwelijks twee maanden tijd als een deus ex machina op onze wenken bediend. De stukken van de clubgeschiedenis pasten in drie fasen uiteindelijk naadloos in elkaar. Drie mensen serveerden ons dit opperste gerecht: Gustaaf Beelen, Maria Decouter en Raymond Duynslaegher. 

Op zaterdag 6 januari, driekoningendag, mochten we spreekwoordelijk bij de Grote Koning op bezoek. Raymond Duynslaegher is 82, komt spiritueel en geboeid uit de hoek en had die dag wat te vertellen over de Vespa Club van Oostende, maar en vooral minstens evenveel over de technische kant van de Vespa. Als voormalig VCO-lid kon hij ons de juiste weg uitstippelen naar onze clubroots. Maar het werd veel ingewikkelder dan dat. En zijn Vespakennis is tot op vandaag fenomenaal. Dat deed hij op als meestergast bij de bekende Vespazaak Kessels in Oostende. We werden van het ene verhaal in het andere gegooid en het was soms moeilijk om van de ene tak op de andere te springen. Maar steeds even boeiend!

Hij trok meteen van leer met een prachtfoto waarbij hij in het jaar 1956 op bijscholing trok naar de hoofdzetel van Sachs in Duitsland. We dachten even dat hij zich van club had vergist en voor Sachsliefhebbers zijn uitleg moest geven. Snel kwamen we er achter dat de firma Kessels geen kleine speler was en dat de gebroeders Kessels naast de fietsen (Fernand Kessels) en Vespa’s (Charles Kessels) met meerdere scootermerken te maken hadden. De Kessels hadden soortgelijke filialen in Aalst, Gent en Antwerpen. Er werkten nota bene in Oostende 27 man, geen kleine garnaal dus. Ze maakten eigen kaders voor fietsen en scooters. Een soort fabriek, niet van de minste in die dagen. Het magazijn en de werkplaats liep door van de Torhoutsesteenweg tot in de Eendrachtstraat. Wat verder, waar de huidige GB Express ligt aan de Torhoutsesteenweg, werden kaders gemaakt. Huis Kessels lag waar voorheen Middas was, nu een modern flatgebouw met veelzeggende naam ‘Condor’.

Plots nam het gesprek een wending naar de clubgeschiedenis. Sterk was dat het eerdere getuigenis van Gustaaf Beelen passend aansloot bij de herinneringen van Raymond Duynslaegher. Hij had Gustaaf als voorzitter gekend, maar zijn voorganger die Gustaaf wel herinnerde, maar zijn naam kwijt was, kwam druppelsgewijs naar boven. Het zou een zekere Adrien zijn geweest, een man die in het stadhuis werkte. Een voorzet die we konden binnenkoppen, toen hij opmerkte dat Solange de vrouw van Adrien was. Manu, die ironisch opgemerkt geen mens kent in Oostende en omgeving, kon een link leggen: maar na een intense zoektocht vingen we bot. De naam Solange zou niet kloppen, werk voor later dus. 

Van Gustaaf weten we dat na zijn voorzitterschap de boel ter ziele is gegaan. Onder andere doordat men een inruilmogelijkheid had en met wat opleg kon je een viertakt auto NSU bij Kessels aanschaffen. Raymond bevestigde dat. Sterker, hij vertelde het gewoon voordat we hem die woorden in zijn mond zouden kunnen leggen. Het zou dus kloppen, maar Mongsje deed er nog een schep bovenop. ‘Ook een club kent sterkte en zwaktes, de interesse verdween, de relaties in de club vertroebelden en de boel spatte het ook uit elkaar.’

We gingen daar niet meteen op in, wat ook verstandig was, hij benadrukte het zelf niet en maakte meteen een sprong terug naar de mooie foto uit 1956 met het kransje van de topmecaniciens en scooterdealers van ons land. Fier wees Raymond zichzelf aan: de derde van links op de tweede rij. ‘Een snelle typ, hé’, lachte Mon en had wat last om zijn lach met wat gekuch uit elkaar te houden. Onze ogen waren nog gericht op het Duitse concern Sachs en begrepen nog niet ten volle de link. ‘Vergeet niet dat Vespa er maar een deel van uit maakte: ze hadden bij Kessels ook andere merken onder hun dak’, legde Mon uit. Bella, Zundapp (eigenlijk zei hij grappend erbij Zuplap), NSU, Rumi. Geen Lambretta, de aartsrivaal van Vespa, werd door het Huis Gerard Declercq verdeeld (Torhoutsesteensweg tussen het paard en Petit Paris). ‘De Sachsmotor was redelijk universeel’, benadrukte Mon. Hij wees nog enkele andere personen aan, vooral  bekend uit de streek.  

1.Raymond Duynslaegher 2. Norbert Lambrechts (magazijnier bij Kessels) 3.Maurice Mabbe (verdeler uit Wielsbeke) 4. De chauffeur die hen er heen voerde, iemand van de Sterre uit Gent  5. Daniël De Jonghe uit Middelkerke (huidige zaak De Jonghe- Rommel fietsenverhuur) 6. Maurice Dejonckheere (huidige zaak in de Kerkstraat te Oostende).  Ook Leon Joris (huidige zaak Joris Sport Blankenberge) staat er ergens op, maar Raymond kon hem niet aanduiden. 

Mon benadrukte dat Piaggio zelf met eigen volk uit Italië hem heel veel had bijgebracht. ‘Rue de Génard’, in Jette, wist hij nog uit het hoofd. Hij herinnerde zich dat de specialisten bij het openen van een motor opzettelijk aan het ding stonden te schudden zodat er zelfs schroeven in de opengelegde motor vielen. Een nachtmerrie voor mecaniciens. ‘En nu?’, dacht, Mon. De Italiaan liet als volleerde pedagoog zijn leerling eerst wat zweten en kwam dan met de oplossing voor de dag. Hij moest het ding met olie vullen tot er geen druppel meer bij kon, dan starten, de motor maakte een scheurend lawaai en de meester toonde aan dat daarmee een ander probleem werd aangepakt. 

Vele malen moest hij met de vrachtwagen van Kessels naar Jette om zich bij te scholen. Daardoor kwamen we te weten dat Raymond dé mecanicien op vlak van tweetaktscooters uit de streek werd. Hij was eigenlijk van uit zijn hart een motorliefhebber en reed zelfs tot voor enkele jaren nog met zijn motor. Hij was niet zo Vespa minded bekende hij eerlijk. ‘Ik was de mecanicien en daardoor beroepshalve verplicht om lid te worden van VCO en moest vooral mee om te depanneren. Want dat kan wel eens met een Vespa gebeuren’ benadrukte Raymond. Wij draaiden onze neuzen omhoog en deden alsof we dat voor het eerst hoorden… 

Toen we bij het openslaan van zijn fotoalbum, type Plechtige Communie-versie, huidige VCO-artikels vonden, merkten we op dat hij eigenlijk toch wel een beetje Vespa-minded was.

In de geschiedenis rond de Vespa in Oostende vervolgde hij dat de zaak Kessels uiteindelijk werd overgedragen aan Luc Jacobs, zelf de opvolger van Karel Dumon, de voormalige fietsenzaak op de hoek van de Leffingestraat en de Wagenstraat. Jacobs verdeelde Vespa, maar ook Chaws. Bij de overdracht ging het zelfs om 2000 stuks aan Chaws. Een raadsel waar Luc Jacobs dat gestald kreeg? Maar wat gebeurde er met de enorme voorraad onderdelen van de firma Kessels? Raymond mocht er heel veel spullen van hebben, het bleek nog nauwelijks waarde te hebben. Toch was dat een beetje buiten de liefhebbers gerekend. Op dat moment woonde Raymond in Zevekote en traag maar zeker werd zijn  vloer platgelopen om wisselstukken te bemachtigen. Het begon zelfs bij momenten aardig op de zenuwen van de vrouw des huizes te werken. Het rustige Zevekote werd plots een draaischijf van Vespaliefhebbers op zoek naar een en ander. De drukte zwol aan en dat was natuurlijk niet de bedoeling. Tot die dag toen iemand met een mooie zwarte BMW op bezoek kwam en de hele inboedel wilde opkopen. Het was moeilijk er een prijs op te zetten. ‘ Misschien voor je BMW?, schepte Raymond op. De zaak was geklonken: Mon reed voortaan met een zwarte BMW en zijn voorraadschuur werd in ruil leeggehaald…

Raymond ging verder in de autobranche. Met de opkomst van de dieselauto’s hadden garage-uitbaters een dikke vis aan Mon. De kennis van dieselmotoren was toen uiterst gering, maar Mon die origineel als ‘motorist’ uit de scheepvaart kwam en zijn  diploma  van ‘500 paarden’ kon voorleggen, was een gegeerd man. In de overgangsfase wilden velen hem om zijn tweetaktkennis (NSU, DKW en Trabant) en later was zijn dieselkennis een extra troef. Luxe troef…

Mon ging ook weg van Kessels omdat hij vond dat zijn monopolypositie wel eens misbruikt werd. Hij drukte dat met het mooie spreekwoord uit: ‘Er werd bij momenten met een forchette geschreven en dat stond me niet aan’.

En toen plots toonde hij andere foto’s uit een later tijdstip waarop zijn eigenhandige Vespa Sitecar op stond te blinken en waar we de oud-voorzitter uit de jaren ’80 William Rondelez herkenden. William bestuurde VCO van 1987 tot 2011. Blijven we in een cirkel ronddraaien en vinden we geen club tussen voorzitter Gustaaf en voorzitter William? En toen kwam er duiding…

    

We zien inderdaad een groep Vespaliefhebbers op verschillende foto’s gemaakt tijdens uitstappen in binnen-  en buitenland. Het waren liefhebbers uit Bekegem en brede omgeving met als spilfiguur de gebroeders Olivier, specifiek met gangmaker Philip Olivier.  Eigenlijk was het geen pure Vespaclub meer, eerder een scooterclub omdat er verschillende scootertypes werden toegelaten.    

De club heette officieel ‘De Roksem Scooterclub’. Dat had te maken met hun lokaal, de toenmalige horecazaak Jan Breydel   gelegen in Roksem en hun ruimte aldaar om aan scooters te werken, een schuur van een van de leden aan de Osseweg in Roksem.

De voorzitter was Philip Olivier en de secretaris en penningmeester was Bernard Moyaert. De scooterclub tierde weelderig vanaf de jaren 1977 tot op het moment dat William Rondelez de club overnam en VCO herstichtte.

De Roksem Scooterclub organiseerde polderrally’s met als thuishaven ‘Het Klein Strand’ in Jabbeke. William Rondelez zette deze succesformule verder met verschillende polderrally’s die elke twee jaar werden georganiseerd.

Het was dus geen verkapte vorm van VCO. Het was een flink uit de kluitengewassen clubje uit de streek die de Vespa en algemener de scooter als bindmiddel had. Er waren al snel 30 belangstellenden. Raymond maakte er deel van uit. Blijkbaar had de Vespa hem emotioneel wel te pakken… Of we nog mensen herkenden? ‘Hier pak je jemelle, Monsje, drong ik aan in de hoop dat hij nu beter mensen zou herkennen. ‘Lacht me je zelven, gie’, weerklonk het. Andere namen vond hij niet. 

Achteraf konden we vernemen dat het groepje uiteindelijk uiteenspatte omdat ze onder andere technisch veel te veel problemen kregen als ze op tocht waren. Raymond was niet altijd mee en ze moesten op den duur meer op elkaar wachten dan dat er gereden werd. Maar de liefde voor de scooter ging nooit verloren. En Raymond werd door zijn oude vrienden als ‘een bon vivant’ omschreven. En tegelijk was hij als een soort geestelijke vader, want er was veel jong geweld om tegen op te boksen.

Bij intens research, na het contact met Raymond, konden we achterhalen dat de eerste voorzitter Adrien Cortvriendt was.

‘Soms is de wereld klein’, filosofeert Raymond. ‘Grootvader Kessels, Jérome, was schapenboer en reed met een motor Gilette, van Belgische makelij. Mijn vader had ook schapen. Grootvader Kessels kwam op bezoek, zijn motor deed het niet, ik herstelde die en mijn toekomst werd daardoor verzekerd’, draafde Mon verder.

Plots serveerde Raymond ons Vespatips alsof hij nu eindelijk aan het woord kwam. Hij had er zorgvuldig op gewacht. ‘Trek nooit de gène uit, en van boven beginnen, hoedje af, kabel uit de slekke, enz…’ Plots schoten tegelijkertijd namen hem te binnen van enkelen die we makkelijkheidshalve het groepje rond Philip Olivier noemen. Jef Roselle en ook zijn broer Walter Roselle die de electrozaak Altron in de Alfons Pieterslaan openhield en Huyghe van de messenwinkel in dezelfde straat en Norbert Lambrecht kwam er uit het niets bij, magazijnier bij Kessels. Hopla …en Hugo Jacobs (van de garage Jacobs in Oudenburg) ook tewerkgesteld bij Kessels en Gino Deschacht van Gino Tours kwam op de proppen ook afkomstig uit de rasstal Kessels. Het was alsof een verstopte afvoerpijp plots ontstopt werd en weer tot leven kwam: de namen van oudgedienden kolkten er uit.

Plots worden we opgeschrikt door een binnenkomende telefoon. Raymond moet in dergelijke gevallen niet meer doen dan op een knopje drukken aan het kleine toestel dat rond zijn nek hangt. Hij spreekt in zonder het toestel aan zijn oor te houden, een beetje zoals de scalarijders onder de Vespisten. Ondertussen besefte ik dat het redelijk warm in de kleine living werd. De elektrische  verwarmingstoestellen gaven van jetje, dat voelde ik al meteen bij het betreden van de kamer. Mijn trui vliegt ondertussen uit, de temperatuur is nauwelijks te harden. En Raymond zit daar in een vakantiepolo alsof hij op de Antillen verblijft. We kunnen niet echt het telefoongesprek volgen en de beleefdheid verbiedt dat eigenlijk. Doordat we dicht op elkaar aan zitten, Manu, Kurt en ik van VCO, Raymond en Nicole zijn partner, kan je bijna niet anders of delen van het gesprek volgen. Zijn laatste vraag: ‘En Noël, ken jij nog mensen van de Vespaclub destijds?’. Het duurt wat, Raymond knikt bevestigend en zegt: ‘Ja, Gustaaf Beelen, ja die kennen we al’. Einde gesprek. Gustaaf moet zondermeer een boegbeeld in VCO zijn geweest, dat kan niet anders. 

Dan begint Mon aan een bijna eindeloze conversatie hoe het komt dat hij geen motorrijder meer is. Hij verontschuldigt zich er als het ware voor. Gezien zijn leeftijd is dat nergens voor nodig. Hij heeft het over zijn vroegere Indian, ‘Neen geen Harley, en ik citeer ‘Harley’s, de grootste stront die ze ooit hebben gemaakt’. Dan heeft hij het over zijn Kawasaki. ‘Gewoon oud ijzer’, lacht Mon, die hem als bijna 80-jarige deed vallen bij een simpele oversteek. ‘De vrachtwagensporen, verdomme, hebben mij dat gelapt.’ Vanaf toen, geen motoren meer! Hij ging over naar scooters en kocht voor zijn gemak naar eigen zeggen een ‘Chipanees 125 cc’, maar dat was te licht. Toen de scooter helemaal verwrongen onder het gewicht kreunde, het instructieboekje meldde dat het ding slechts 125 kg kon dragen, was de rekening snel gemaakt. ‘Ik weeg al 120 kg en Nicole erbij, we waren vogels voor de kat’. 

Tijdelijk op naar een scooter van Peugeot, ook te licht bevonden en weer verkocht. Dan naar Honda 300 cc waar plots het gelijkvormigheidsattest vermeldde dat Piaggio deze heeft gebouwd. Toch een beetje goed nieuws. 

 

Dan had hij het over zijn auto’s die hij kocht en verkocht dat het een lieve lust was om uiteindelijk bij de Citroen Picasso uit te komen die hij vandaag bezit. ‘Oké, geen motor of scooter meer. Ik doe nog 17 000 km per jaar, als ze mijn auto afpakken…’ Hij doet teken met de wijsvinger voor de hals, dan ben ik er aan!

Hij vertelde verder welke capriolen hij maakte om van het ene bedrijf naar het andere te verhuizen: zijn eigen autozaak, vervolgens naar Toyota-Jaguar bij Buylaert (origineel in de Koninginnelaan, later op de Torhoutsesteensweg waar nu Fiets! is), in een Gistels bedrijf, terug naar Kessels, dan naar het autocarbedrijf Provoost (waar nu de Air Port Bowling is) waar hij na omzwerven info nam bij de vakbond. ‘Wat moet ik doen met zo’n een carrière en het wordt stilaan mijn eindpunt?’. Men raadde hem aan zich tijdelijk werkloos te zetten. Hij werd snel opgeroepen om een examen af te leggen auto-elektriciteit in Brugge waarbij er 150 kandidaten waren voor 6 plaatsen en hij was bij de oudsten. Met zo’n kennis was hij uiteraard geslaagd.

Dan zwenkt hij weer uit naar de technische kant van de Vespa. Hoe je best het ingewikkelde magnetisch veld aanpakt, (hij wist te vertellen dat een eigen ontwerp daarvoor bij de auto-elektricien Coppin ligt), hoe je best omgaat met de onderdruk, zijn gevecht met magnesium plaquetten, hij zweert bij ESSO Glube, SAE 30 in de boîte en in de benzine bij oude modellen, weldegelijk op basis van 4 procent, tussen 7 en 9 bar cilinderdruk en ander fraais waar ik niet echt alles van begrepen heb. 

Simultaan kwam het bij Manu, Kurt en ik op om onze huismecanicien, Luc Maenhoudt, eens bij Raymond te brengen. Die twee zouden likkebaarden en er zou zo belangrijke know how niet verloren gaan.

Het was alweer een onschatbare namiddag in de zoektocht naar de roots van onze club. Manu zou nog via zijn buren wellicht aan de volledige naam komen van de eerste voorzitter van VCO. Dan is inderdaad de cirkel rond! Nog even geduld!

 

tekst: Bart Houwen 

foto’s: Kurt Meesschaert/Raymond Duynslaegher