Project D - De konijnenpijp van Livigno

Elke Vesparijder met wat rijervaring kent het: aanschuiven zoals het normale autoverkeer voor een verkeerslicht, dat slaan we even over, zeker als het om een redelijke file gaat.  We doubleren de ongeduldige auto’s zo goed en kwaad als het kan, schuiven in net voor een te traag optrekkend voertuig. Meestal aanvaarden de chauffeurs dat gedrag. Het is vaak wat spelen met de grens van het fatsoen, maar we gaan er niet schromelijk over omdat we soms nog wat manieren hebben. Toen we moesten aanschuiven voor het veerpont die ons enkele kilometer verder naar de camping van Obernai bracht, stonden we gedisciplineerd in de file. Geen voorbijstekerij…

De verrassing van het moment nam ons te grazen op die zomerse zware terugrit van ons basiskamp in Colfosco, inclusief de Stelvio die we met pak en zak hadden bedwongen. We wisten helemaal niet wat ons te wachten stond toen we een rij aanschuivende auto’s voor een modaal verkeerlicht voor een tunnel, voorbijstaken toen tijdens dat manoeuvre het licht net op groen sprong.

Het oorverdovend zenuwachtige getoeter van een speciale stadsbus, kleiner en minder hoog van model, bracht ons plots met de voeten op de grond. We vermoedden iets, maar wisten niet wat. In die eerste seconden reden Carlos, Kris, Lorenz en Johnny (in deze volgorde) als eersten de tunnel in voor de ongeduldig en aanstormende bus. De bus was immers zo opdringerig dat hij het zevental in twee groepen deelde.

 

Bekijk het filmpje in HD

Wat we niet wisten, maar bij het binnenrijden na een tijdje traag tot ons doordrong, dat dit geen gewone tunnel wat. De tunnel was supersmal (je kon bijna beide muren aanraken als je wat lange armen had)  en deze konijnenpijp bleef maar in lengte duren (in wekelijkheid bijna 4 kilometer). Het was er bovendien heel erg donker (bijna geen extra verlichting) en je had het gevoel dat de temperatuur tot aan het vriespunt was gezakt, schril in contrast van het stralend mooi weer die dag. Verrast door dit alles, reed ik met open jas, kon ik onmogelijk mijn jas dichtmaken, want het ongeduldige verkeer duwde ons letterlijk in de rug. Achteraf zagen we bij het uitrijden dat een rij auto’s in tegengestelde richting geduldig moest wachten omwille van de eenrichtingstunnel. De ingewikkelde puzzelstukken vielen plots op hun plaats: door de lengte van de tunnel, door het feit dat het eenrichtingsverkeer was en iedereen lang moest aanschuiven (wellicht een klein halfuur), beseften we dat vooral die buschauffeur die door Carlos, Lorenzo, Kris en Johnny de pas wat afgesneden, meer dan gefrustreerd was.De ergernis van de buschauffeur stapelde zich maar op en joeg het viertal als grof wild door de smalle, donkere tunnel. Hij gebruikte als een brullende leeuw bijna onophoudelijke zijn dubbele claxon en reed op een kleine meter steeds dichter en gevaarlijker het wiel naderend van Johnny. Tot overmaat van ramp dacht Lorenzo bij dat eerste getoeter in de tunnel dat wij moesten stoppen en de tunnel eigenlijk niet in mochten. Johnny, net achter Lorenzo rijdend, bestierf het bijna: Lorenzo wou gewoonweg stoppen in die claustrofobische tunnel en de bus wou doordrammen. Hij zag zichzelf gesandwiched. Johnny schreeuwde wat Lorenzo eigenlijk bezielde en dat hij verdorie voort moest maken. Achteraf werd Lorenzo voor dit initiatief bekroond tot ‘worst van de dag’ een dagelijkse vermelding voor wie echt dom deed.

 

De bus bleef maar het hele traject gevaarlijk dicht op het wiel van Johnny rijden, zo dicht dat hij naar voren geleund moest zitten omdat de grote lichten van de bus in beide spiegels als een constant weerlicht schenen en hij dan helemaal niets meer zag in contract met de donkere tunnel. Johnny die toevallig die dag last van diarree, kreeg een onverwacht stoppingsmiddel toegediend: een bus in zijn achterste. Toen we later uit die gevaarlijk tunnel weer in de werkelijke wereld terecht kwamen, schreeuwde Johnny het uit: ‘Waar is die buschauffeur, ik geeft hem meteen een pak rammel!’..Enkele dagen eerder klaagde Kris van de tunnels die we inmiddels op onze weg verwerkt kregen. Voor een goed begrip, het ging over ‘normale’ tunnels. Kris rijdt steeds in een open helm met een zonnebril op sterkte. Als het donker wordt, moet hij die bril aanhouden, omdat hij zonder bril helemaal niets ziet. Met zijn zonnebril in het donker ziet hij dus nog een klein beetje. Een relatief onveilige situatie in van die tunnels, zoveel is zeker.

© Luc Maenhoudt

Bij het inrijden van de bewuste konijnenpijp hadden we eigenlijk door die moeilijke omstandigheden Stevie Wonder in de groep. Kris zag in het duistere gat gewoonweg geen steek, met zijn zonnebril aan (stel je voor!!!) en voelde een enorme druk door die bus. De enige overlevingskans voor hem was om zo dicht mogelijk tegen Carlos aan te rijden zich puur concerterend op zijn achterlicht. Dat was nog het enige lichtpunt dat hij een beetje kon waarnemen. Tegen dat hij de tunnel uit was, kende hij elk detail van dit achterlicht.

Wij (Bernard, Luc en ik) die achter de opmerkelijke bus reden, hadden weet dat er ergens iets aan de hand was: we hoorden de bus zeer geregeld toeteren en zagen bijna constant het rode stoplicht aanflikkeren. Het beeld van de bus in de smalle tunnel wat opmerkelijk. De linker en rechter bovenhoek scheerde langs de bovenkant van de tunnelmuren: de bus had langs beide kanten een handvol centimeter over.

Gaandeweg werd het steeds kouder en niemand van ons had opgemerkt hoe lang de tunnel was. Het bordje met de afstandsaanduiding dat rechts bij het binnenkomen van een tunnel staat, hadden we door die bizarre omstandigheden niet gezien. Door de claustrofobische en ijzige omstandigheden kwam er maar geen eind aan. Met mijn open jas had ik het flink koud en dacht geregeld aan Bernard die in zijn T-shirt achter me reed en door de omstandigheden niet de tijd hand om een jas of extra pull aan te trekken. Hij was er nog slechter aan toe, hoe jammer voor Bernard gaf mij dat een stukje moed. Ik herinner me goed toen hij uit de tunnel kwam, net als een hond die uit het water opduikt en zich afschudt van het water, hij de kou van zich afschudde. Hij hield er voor de rest van de reis een stevige verkoudheid aan over.

Van het zevental hadden Carlos als eerste rijder, ik als middelste en Luc als laatste radioverbinding. Carlos merkte op, want hij kende de streek, dat het uitrijden van de tunnel er een scherpe bocht naar rechts was omdat er een stuwmeer op 50 meter van het eind lag te wachten. Je hebt weinig verbeelding nodig om te beseffen hoe Kris uit die tunnel kwam. Het mag een wonder heten dat hij verblind door het plotse daglicht niet met Vespa, inclusief met pak en zak in het stuwmeer is beland…

Iedereen kwam verbijsterd uit de tunnel toen we halt hielden en van de schrik moesten bekomen: Kris lachte zichzelf uit en gaf schromelijk toe dat hij heel erg bang was geweest, Lorenzo kwam verdwaasd als een alien uit  een andere wereld, Johnny was woest op de chauffeur en wou de man een pak slaag verkopen en Bernard kwam als een pinguïn uit dit avontuur. Moet er nog zand zijn?

Tekst: Bart Houwen
Foto & video: Luc Maenhoudt
Foto Kris: iezelve

Lees meer over: